Inside Installations | Who’s Right – the Artist or the Conservator?

‘Inside Installations: Behoud en presentatie van Installation Art’ was een drie jaar durend onderzoek (2004-2007) naar de zorg en het beheer van een kunstvorm die uitdagend is voor de heersende opvattingen rond conservatie. Meer dan dertig complexe installaties werden als case studies opnieuw geïnstalleerd, onderzocht en gedocumenteerd. Dit onderzoek vond in 2011 zijn neerslag in de publicatie ‘Inside Installations: Theory and Practice in the Care of Complex Artworks’.

Voor de S.M.A.K.-blog namen enkele auteurs verschillende hoofdstukken onder de loep.

Deel 2: Who’s Right – the Artist or the Conservator?

door Carmen Van Cauwenbergh

Inside Installations: Theory and practice in the Care of Complex Artworks werd gecreëerd binnen PRACTICS (acroniem voor Practices, Research, Access, Collaboration, Teaching in Conservation of contemporary art), het vierde internationale project rond hedendaagse kunst geleid door het Agentschap voor Cultureel Erfgoed (RCE). Deze organisatie heeft een platform opgericht (INCCA – International Network for the Conservation of Contemporary Art) waar professionele museummedewerkers terecht kunnen om de nodige informatie te delen. Om tegemoet te komen aan de vraag naar een gedegen onderzoek rond installatiekunst, startte het INCCA met het Inside Installations project. Na een internationaal symposium, een documentaire en een uitbreiding van het INCCA netwerk, vormt dit boek de finale etappe binnen dit onderzoek. Naast de vele andere vragen en case-studies die in het boek aan bod komen, wordt er ook nagegaan wat de rol van de kunstenaar is binnen het proces van restaureren en conserveren.

Auteur Barbara Sommermeyer bespreekt de verschillende problemen die kunnen opduiken en verduidelijkt die aan de hand van uiteenlopende voorbeelden uit de praktijk. Allereerst benadrukt ze dat de subjectiviteit van het restauratieproces en de verschillende gezichtspunten, waarmee tijdens het proces rekening moet gehouden worden, geen onbelangrijke aandachtspunten zijn. Uiteraard moet er rekening gehouden worden met het standpunt van de artiest maar dit is niet zo eenvoudig als het lijkt en brengt meer dan eens de nodige problemen met zich mee. Op juridisch vlak (Duitse auteursrecht wet – naar goedkeuring van de conventie van Bern – ook in België van kracht) is er nochtans een poging gedaan om duidelijke grenzen te stellen. Een kunstwerk wordt beschermd door artistiek auteursrecht vanaf zijn creatie tot 70 jaar na de dood van de kunstenaar. Kunstenaars hebben geen legaal recht om zelf restauratiewerk uit te voeren maar als deze niet tevreden is met de conservatie van het werk of wanneer er te grote veranderingen zijn doorgevoerd, kan hij of zij beroep doen op de wet die de inbreuk van morele rechten beschermt. Maar, dit enkel als het kunstwerk tentoongesteld wordt voor een publiek, als dit niet het geval is, nemen de eigendomsrechten het over; de eigenaar kan dan doen wat hij of zij wil met het kunstwerk en de kunstenaar zelf kan geen controle meer uitoefenen.

Maar bovenal is het werk van de conservator in de eerste plaats gebaseerd op de professionele ethische code. Die stelt dat conservatie uitgevoerd moet worden met een strikte trouw aan het origineel waarbij de historiciteit of Zeitgeist van het werk in acht moet genomen worden. Economische doeleinden mogen geen deel uitmaken van dit proces. Wanneer conservatoren ingeschakeld worden voor privé-doeleinden, zien zij dikwijls het dilemma ontstaan tussen deze ethische code en het eigendomsrecht. De conservatoren die voor een museum werken, zien dikwijls verschillen verrijzen tussen de intentie van een kunstwerk en de interesses van het museum zelf. Maar Sommermeyer stelt dat wat de situatie ook is, er geen standaardregels zijn en ieder te restaureren of conserveren werk apart bekeken en behandeld moet worden.

De hoofdtaak van de conservator bestaat er dus uit om de originele doeleinden van het werk te behouden en om na te gaan of er schade aanwezig is die tot een incorrecte interpretatie van het werk kan leiden. Na deze eerste stap in het onderzoek is het noodzakelijk, en uiterst handig, om andere professionelen in het proces te betrekken; wetenschappers, kunsthistorici, curatoren, artiesten. Wie de uiteindelijke beslissingen neemt, hangt altijd af van de hiërarchische structuur binnen de organisatie.

Ook belangrijk is dat er op een juiste manier wordt omgegaan met de verkregen informatie want iedere betrokkene heeft een eigen manier om naar het werk te kijken en zal dus ook andere aspecten benadrukken. De curator zal dikwijls rekening houden met de bredere context van het werk en is veelal ook gefocust op de gebruikte materialen en technieken. De kunstenaar zal het soms moeilijk hebben met afstand te nemen van het werk en verzamelaars en galeristen zien kunst dikwijls als een investering en zullen hun beslissingen daarvan laten afhangen. Het is belangrijk dat de curator – wanneer die de eindbeslissingen neemt in het conservatieproces – alle privé-intenties herkent en correct interpreteert om zo tot een passende conservatiestrategie te komen.

Zoals hierboven vermeld is het voor de kunstenaar soms moeilijk om afstand te nemen van het werk en daarom moet er met zijn inbreng voorzichtig omgegaan worden. Het gebeurt soms dat hij zijn werk, dat reeds af is en tentoongesteld, wil updaten. Deze procedure is uiteraard niet gewenst maar het probleem hierbij is dat de lijn tussen ‘af’ en work in progres soms dun is, zeker bij installatiekunst.

Meestal wordt het inschakelen van de kunstenaar als heel nuttig ervaren maar wanneer er geen ruimte is voor een geschikte, verduidelijkende en persoonlijke discussie, kan het soms beter zijn om de artiest niet in het proces te betrekken. Aan de hand van interviews, kan de conservator inzicht krijgen in het denk- en werkpatroon van de kunstenaar, en allerlei vragen stellen die het juist bewaren en restaureren van het werk ten goede komen. In de ideale omstandigheden wordt er meerdere keren met de kunstenaar gesproken en worden de interviews ruim op voorhand gehouden waarbij de onderzoeker ook voldoende tijd heeft om zich voor te bereiden. Wanneer er onduidelijkheden ontstaan tijdens het conserveren is het immers niet altijd mogelijk om met de kunstenaar te praten of moet dit te snel gebeuren.

Maar zelfs in de ideale omstandigheden ziet Sommermeyer nog mogelijke problemen opduiken; de wisselende gemoedstoestand van de artiest en de daarmee wisselende keuzes en ideeën, de kunstenaar die niet op de hoogte is van de conservatiemogelijkheden en op dit beperkt inzicht zijn antwoorden afstelt, de periode tussen creatie van het werk en gesprek met de kunstenaar en het daarmee gepaard gaande evolueren in denken over het eigen werk. Het moet duidelijk zijn voor de kunstenaar dat de vragen gesteld worden om na te gaan wat de intenties waren bij het maken van het kunstwerk en duidelijkheid te krijgen in de details om deze intenties te behouden.

Conserveren vergt een grote sensitiviteit en diplomatie om de inbreng van de artiest op een juiste manier in te bedden in het eigen werk. Uiteindelijk is het niet de conservator of de artiest die gelijk heeft maar het kunstwerk zelf, maar volgens Sommermeyer heeft het een goede interpretator nodig.

Lees Deel 1: Installation Art and the Elastic Form

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>