door Bob Vanden Broeck
Maar de kunsten hebben toch altijd verwezen? Wat stoort je daar nu precies aan?
‘Zeker, wij verwijzen altijd. Maar vandaag gebeurt het ofwel zo particulier dat je de verwijzing niet kan kennen, ofwel zo algemeen dat het vaag en inwisselbaar wordt. Neem Crack:Painting, een boek met het werk van Koen van den Broek. Wat doet die? Stoepen schilderen. Niet zomaar stoepen: ze verwijzen naar heel specifieke dingen uit zijn eigen leven, of uit die van zijn Amerikaanse kunst- en kennissenkring.’
Fragment uit rekto:verso nr. 50. Interview met Jean Pierre Rondas door Wouter Hillaert
Kunst die representeert is oninteressant
Je hoort het vaak dat mensen de betekenis in een kunstwerk willen achterhalen die de kunstenaar er in hoogsteigen persoon heeft in gelegd. Het lijkt wel of de kunstenaar zijn ‘boodschap’, ‘emotie’ of ‘wat dan ook’ datgene moet zijn wat de toeschouwer zou moeten lezen. Maar als dat al mogelijk is, waarom zou dat dan de bedoeling zijn? Zou kunst interessant zijn als de betekenis van het werk op voorhand al vastgelegd werd?
Kunstenaars verwijzen altijd en hebben altijd verwezen, altijd naar zeer specifieke zaken of naar heel vage inwisselbare zaken. Er zijn talloze voorbeelden op te noemen waarbij kunstenaars beroep deden op specifieke elementen uit hun eigen leefwereld. Zelfs in de Middeleeuwen werden schilderijen verwezenlijkt die verwezen naar teksten uit één of andere lugubere bibliotheek van een monnik. Over het beroemde Arnolfini-portret van Jan Van Eyck raken kunsthistorici het maar niet eens, de ene betekenis vervangt de andere en meerdere invullingen van het portret staan haaks op elkaar. Ook bij het Arnolfini-portret heb je heel particuliere informatie nodig die je een stukje van de sluier doen oplichten. Wat betekenen een hond, de uitgetrokken trippen, de brandende kaars en de gouden appels? Wat is de universele boodschap in het Arnolfiniportret? Het komt er vaak op neer dat schilders toen gebruik maakte van de boeken in bibliotheken die voorhanden waren op dat moment bij die koning. Zelfs in de tijd van Jan Van Eyck toen er nog strikte iconografische regels werden opgelegd, konden schilders het niet nalaten om persoonlijke, onmogelijk te achterhalen elementen, te gebruiken in hun schilderijen. De toeschouwer kan raden dat het om een huwelijk gaat, de rest van het portret blijft een mysterie waarbij de toeschouwer zich moet beroepen op onderzoek, op mensen die een tipje van de sluier kunnen oplichten over de bronnen die Jan Van Eyck zou kunnen hebben gebruikt.
Bij Melrose Ave Balloons van Koen van den Broeck is het makkelijker. Om te begrijpen wat je ziet heb je geen bijstand nodig. Het mag duidelijk zijn dat dit een stoep is. Het wordt echter heel moeilijk als je wil weten waar deze stoep juist ligt. Is dat relevant? Totaal niet. Koen van den Broek neemt foto’s, snap shots op zijn road trips en die foto’s gebruikt hij om zijn doeken te verwezenlijken. Hij schildert ze echter niet na, maar gaat ze als een volleerd minimalist herleiden tot hun essentie. Die stoep op het doek bestaat helemaal niet zoals ze daar is weergegeven en het is dus voor de toeschouwer onmogelijk om te achterhalen waar deze stoep zich bevindt. De schilder verwijst dus helemaal niet naar een concrete werkelijkheid, integendeel, net door die concrete werkelijkheid te boetseren overstijgt hij ze en maakt ze toegankelijk voor iedereen. In de eerste plaats is het interessant om te zien dat een schilder interesse heeft in plaatsen die ons volledig voorbijgaan. Van den Broek schildert riolen, stoepen, barsten in asfalt….Op zich zijn dat geen aantrekkelijke plaatsen of objecten, en zo ontglippen ze onze aandacht. Op zijn schilderijen is nooit een mens te zien, maar wel worden duidelijk de sporen die de mens achterlaat benadrukt. Bijna overal ter wereld liggen rioolputten en zijn er stoepen aanwezig, en bijna overal schenken wij er even weinig aandacht aan. Net het ontbreken van mensen zelf dient alleen maar om geen concrete plaats op te roepen. Van den Broek slaagt er in de eerste plaats al in om vertrekkend vanuit een heel concrete alledaagsheid iets te vertellen over een veel algemenere alledaagsheid. Wie zegt dat hij in dit werk de desbetreffende stoep in Amerika herkent is ofwel een leugenaar ofwel een snob maar in beide gevallen toont een erg vreemde opvatting over kunst, namelijk dat ze moet representeren. Het louter weergeven van de werkelijkheid zoals ze is, is volkomen oninteressant. Het is net omdat van den Broek afwijkt van die werkelijkheid ‘zoals ze is’ dat hij de mensen kan boeien, kan ‘triggeren’. Het zou behoorlijk saai zijn moest de enige verdienste zijn van de toeschouwer erin bestaan te herkennen dat dit schilderij een stoep in Amerika representeert. Een citaat van Johnny Depp in de rol van John Dillinger (Public Enemies) lijkt hier treffend: “That’s cause they’re all about where people come from. The only thing that’s important is where someone’s going.” Het is niet belangrijk waar dit werk vandaan komt of waar het ontstaan is, het is belangrijk waar het naartoe gaat. Rondas herleidt het middel van het schilderij tot zijn doel, dat is een denkfout die maakt dat hij dit schilderij herleidt naar een stoep in Amerika.
Betekenis geven aan een stoep
De schilder mag dan wel mijn aandacht vestigen op iets wat mij ontgaat in mijn leefomgeving maar waar wil dit werk nu naartoe? Het is een soort archetype van alledaagsheid. Waarom wordt onze blik afgeleid naar beneden, waarom die roze dominante kleur en waarom die platheid ondanks die duidelijke beweging in het schilderij? De laatste vraag is redelijk snel te beantwoorden. De snap shots die van den Broek gebruikt zijn het beginpunt. Het kader past hij nooit aan, enkel in het kader schildert hij de foto leeg. Hierdoor krijg je een schilderij in een fotografisch kader waardoor het schilderij onder spanning komt te staan. Ook de platheid van het beeld valt te verklaren vanuit dezelfde techniek; fotograferen heeft als eindresultaat altijd een vervlakking van de realiteit. Een landgenoot die volgens eenzelfde principe werkt is Luc Tuymans. Bart Verschaffel schreef in de Witte Raaf (151, mei-juni) het volgende over die werken (bijvoorbeeld het schilderij Body): “ Iets dagelijks, iets zeer gewoon, zoals een klein meisjeslichaam, dat altijd nog wel voor een paar mensen de moeite is om te fotograferen, banaliseren, door de vervlakking die sowieso structureel gepaard gaat met het fotograferen en het reproduceren op dat beeld zelf toe te passen, en het leeg te schilderen.” Tuymans’ techniek zou evolueren naar beladen beelden waarbij hij zware politieke onderwerpen zou banaliseren. Daarnaast zou hij ook voor beelden opteren die nog veel couranter zijn als een close up van een naakt meisjeslichaam. Toegegeven trouwens; een naakt meisjeslichaam is helemaal niet het stereotiep banaal beeld bij uitstek. Dat is exact wat van den Broek ook doet in dezelfde periode als Tuymans. Ook hij maakt van ‘at random’ gekozen onderwerpen iets bijzonder, maakt van een stoep een impressionant geheel. Net daarin zit de kracht van Melrose Ave Balloons; hier wordt het banaliseren als techniek verheven tot thematiek net zoals Tuymans in de werken Carpet (2003), Apotheek (2003) en The Park (2005) ook zowel thematisch als technisch zijn werken banaliseert. Een tapijt, een paar boomstammen en een stoep zijn nog veel banaler als het meisjeslichaam in Body. Van den Broek heeft dus in dezelfde periode de techniek zoals Tuymans die gebruikte in een werk als ‘Body’ verheven tot thematiek in zijn werk. Van den Broek maakte in 2003 ook al werken waarbij hij iets gelijkaardig deed als Tuymans, of Tuymans iets gelijkaardig deed als hem. Denk maar aan Broken Yellow Border (2003) of Zeeën van scheuren en lijnen (2004).
Melrose Ave Balloons is geen werk met een te achterhalen boodschap of met een uitgesproken emotie. Het onderwerp is banaal, is moeilijk om door te geraken. Niet zozeer omdat de stoep uit zijn leefwereld komt, dan wel omdat het beeld leeg geschilderd is en naar ‘bijna niets’ verwijst. De redelijke grote omvang werkt die inleving nog meer tegen, maar ook door de roze kleur die het geheel bijna degradeert tot decoratie wordt de afstand tussen toeschouwer en schilderij nog groter.
Toch lijken deze gelijkaardige werken slechts een kruispunt in beide schilders hun evolutie. Waar Tuymans zijn laatste werken als maar groter worden zodat de toeschouwer zich niet kan inleven in de werken (wat hen “minder banaal” zou maken), zal van den Broek meer in de richting van de kunstopvatting van John Baldessari evolueren en nog niet langer alleen vertrekken vanuit foto’s om in tweede instantie tot een schilderij te komen. Hij zal fotografie en schilderkunst beginnen vermengen in één werk om nog meer de eigenheid en de mogelijkheden van de schilderkunst te onderzoeken.
Melrose Ave Balloons van Koen van de Broeck is te zien in de collectiepresentatie Tomorrow Is The Question, tot 26.02.2012 in S.M.A.K.
Check ook de website van het Collectief Martelart, een onafhankelijk platform voor kunstkritiek.

![KoenvandenBroek-MelroseAveballoons_0[1]](http://www.smakblog.be/wp-content/uploads/2012/02/KoenvandenBroek-MelroseAveballoons_01.jpg)
![Tuymans-body[1]](http://www.smakblog.be/wp-content/uploads/2012/02/Tuymans-body1.jpg)

One comment
Het heeft niet meteen rechtstreeks met Koen van den Broek te maken maar in dezelfde categorie durf ik de jonge maar zeer talentvolle
Hanna Waelput plaatsen.
“Bij Melrose Ave Balloons van Koen van den Broeck is het makkelijker. Om te begrijpen wat je ziet heb je geen bijstand nodig. Het mag duidelijk zijn dat dit een stoep is. Het wordt echter heel moeilijk als je wil weten waar deze stoep juist ligt. Is dat relevant? Totaal niet. Koen van den Broek neemt foto’s, snap shots op zijn road trips en die foto’s gebruikt hij om zijn doeken te verwezenlijken. Hij schildert ze echter niet na, maar gaat ze als een volleerd minimalist herleiden tot hun essentie. Die stoep op het doek bestaat helemaal niet zoals ze daar is weergegeven en het is dus voor de toeschouwer onmogelijk om te achterhalen waar deze stoep zich bevindt. De schilder verwijst dus helemaal niet naar een concrete werkelijkheid, integendeel, net door die concrete werkelijkheid te boetseren overstijgt hij ze en maakt ze toegankelijk voor iedereen. In de eerste plaats is het interessant om te zien dat een schilder interesse heeft in plaatsen die ons volledig voorbijgaan.”
Dit stukje tekst bracht me vrijwel meteen tot bij wat Hanna me mailde vorige week:
ik denk dat dit de tafel was
(zonder hoofdletter of punt)
Een titel die verwijst naar alledaagse dingen, een herinnering, het vergeten van dingen,… Maar misschien ook een antwoord op een vraag die onbekend is, die vergeten is, die niet gesteld is, niet relevant is.
Het zit ook verweven in mijn werk. Als ik een beeld maak dan ontstaat dat uit de dingen om me heen. Wat ik zie en vind gebruik ik om een tekening te maken. Later weet ik soms niet meer waar ik kleine details vandaan haalde. Ik sta er ook niet altijd bij stil, omdat het beeld, dat af is en waarvan ik wil dat het op zich staat, het geen beeld uit de herinnering nodig heeft, maar misschien wel een herinnering op zichzelf is.
Het is inderdaad zo dat de kijker steeds zoekt naar een houvast of een referentiekader om de dingen ‘te begrijpen’ , dingen die ik vaak hoor: ‘wat moet ik hierin zien’, ‘wat is de onderliggende betekenis ‘… ‘hoe komt die kunstenaar bij die beelden’….. Ik denk dat dit een beetje een erfenis is van het modernisme, mensen zijn achterdochtig geworden wat kunst betreft uit schrik het niet te begrijpen, dat ze zich dom gaan voelen wanneer een tentoonstelling zich maar traag geeft,. Ik heb ook de indruk dat critici steeds creatiever zijn in hun woordgebruik om toch maar zoveel mogelijk betekenis te geven aan werken. Veel meer dan de kunstenaar eigenlijk pretendeerd met zijn werk, en dat vind ik een spijtige evolutie.
Ik pleit voor minder perceptie en meer buikgevoel, eerlijkheid om te durven zeggen dat iets gewoon mooi, of sterk is, zoals bij het werk van Koen Van den Broeck en Hanna Waelput. Soms is de poëzie van een beeld mooier dan het zoeken naar betekenis of referentiekader.
Ricky