Berlinde De Bruyckere. Verlijden tot een streling.

In S.M.A.K. vindt de eerste grote solotentoonstelling sinds jaren in België van Berlinde De Bruyckere plaats. Paarden hangen in de lucht, er spoelt een potvis aan, bomen groeien in kasten, bloederige geweien hangen aan de muur en torso’s zitten op krukken. Wie het verband vindt, wil het gebruiken. Maar we zijn in een museum: kijken mag, de gewonden verbinden niet.

door Bob Vanden Broeck

‘Ik kende de blik die ze dan had: het was de onderdanige, droevige blik van een ziek dier dat zich een paar passen van de meute verwijdert, zijn kop op zijn poten legt en zachtjes zucht, omdat het voelt dat het verloren is en weet dat het van de kant van zijn soortgenoten volstrekt geen medelijden hoeft te verwachten.’ – Michel Houellebecq, Mogelijkheid van een eiland

Een ruime zaal, maar toch krijg je het gevoel dat de muren naar elkaar toeschuiven, dat het plafond zachtjes naar beneden zakt, dat er uit alle openingen in de zaal plots raven, draken en bezemstelen zullen vliegen. Hier begint de tentoonstelling. Vier kasten staan in de white cube, glazen vitrinekasten, zoals je die vindt in een zoölogisch museum. Aan de muren prijken tekeningen. Onder een glazen stolp liggen gedeformeerde lichamen, gemaakt van was. Man noch vrouw noch mens. En toch al te menselijk. Hoewel van was, lijken het marmeren sculpturen, piëta’s. De Bruyckere pompt bloed in haar wassen beelden en kleurt ze met het rood van Titiaan. Hard marmer tegenover boetseerbare wax, beitels tegenover vingers.

63_vandenbroeck_Berlinde De Bruyckere in het SMAK 2_700.jpg
Berlinde De Bruyckere, Kreupelhout – Cripplewood (2012-’13), (c) Dirk Pauwels

De torso’s liggen onder een glazen stolp, historische relieken bijna. Kronkelende restanten, even luguber als sensueel. Continue reading “Berlinde De Bruyckere. Verlijden tot een streling.”

KASK-lezing Berlinde De Bruyckere – Over paarden- en andere huiden

Vorige donderdag 4 december ging Hans Theys tijdens een buitengewoon drukbezette KASK-lezing in gesprek met Berlinde De Bruyckere over de rol die textiel en de bewerking ervan spelen in haar werk. Emma Volckaert was ter plekke en pikte er voor ons enkele interessante anekdotes uit.

door Emma Volckaert

Al snel na de aankondiging van deze KASK-lezing oversteeg de populariteit van Berlinde De Bruyckere de grootte van de ruimte in de Bijloke waar de lezing oorspronkelijk was gepland. Op het Facebook-evenement reageerden zo maar even 933 gegadigden. Om een overrompeling te vermijden, werd de lezing verplaatst naar de Miryzaal van het Gentse conservatorium. Niet iedereen op de digitale gastenlijst hield woord, maar toch trotseerden enkele honderden geïnteresseerden de eerste winterkou. De helft ervan koos zelfs al een uurtje vooraf een goede zitplek uit om zeker niets te missen.

Zij die niet naar de lezing kwamen, hadden ongelijk. De Bruyckere is een fenomeen. Op een zeer informele en aangename manier ging het gesprek met auteur Hans Theys van start. Wat als een lezing over de rol van textiel in De Bruyckeres werk was aangekondigd, werd een samenraapsel van anekdotes. Maar daar was het publiek duidelijk voor gekomen. Los van zweverige praatjes die soms aan kunstenaars wordt gelinkt, slaagde De Bruyckere erin om haar passie en emoties helder uiteen te zetten.

Berlinde De Bruyckere, Lost I (2006), © MirjamDevriendt

Zo maakte ze via een aantal verhalen haar fascinatie voor paardenhuiden duidelijk. Ze vertelde onder meer dat ze jarenlang het magazijn van een huidenhandelaar in Anderlecht niet binnen mocht. Alsof het een schatkamer betrof, beschreef De Bruyckere hoe ze bleef ijveren voor een toegangsticket tot deze voor haar magische plaats. Continue reading “KASK-lezing Berlinde De Bruyckere – Over paarden- en andere huiden”

‘De Laatste Steen van België’ verhuisd

Jarenlang was ‘De Laatste Steen van België’ (1979), een kunstwerk van architect, urbanist en kunstenaar Luc Deleu (°1944, Duffel, B), geïntegreerd in de wand achter de S.M.A.K.-balie. Een tijdje was hij uit het zicht verdwenen. Maar nu is hij opnieuw te zien en wel als allereerste kunstwerk wanneer je S.M.A.K. binnenwandelt.

de laatste steen
Luc Deleu, ‘De Laatste Steen van België’ (1979), collectie S.M.A.K., schenking Wanda Reiff 1996

Met ‘De Laatste Steen van België’ hekelt Luc Deleu op een ludieke manier de bouwwoede in ons land. Vanuit het idee dat België decennialang werd volgebouwd met ondoordachte bouwsels die worden verward met architectuur de naam waardig, ontwierp hij een ‘laatste steen’. Deze steen werd ingemetseld aan de ingang van S.M.A.K., een publiek gebouw en een plek waar je normaal een ‘eerste steen’ verwacht.

Architectuur is voor Luc Deleu een vorm van beeldend, sculpturaal en politiek denken dat diepgaand reflecteert over de verhouding tussen publieke en private ruimte. In 1970 stichtte hij T.O.P. office: een studiebureau rond stadsontwikkeling en architectuur. Vertrekpunt, motivatie en doel van het bureau waren het bevragen van architectuur en urban design en de maatschappelijke positie en functie ervan. Al snel raakte Deleu ervan overtuigd dat onze steden in veel opzichten zouden verbeteren als de ruimtelijke impact van (ge)bouwen zoveel mogelijk zou worden gereduceerd. Vooral minder bouwen was de boodschap. De razendsnelle evolutie van communicatie en mobiliteit zou het, volgens Deleu, mogelijk maken om opnieuw een meer nomadisch leven te leiden. Bijgevolg zouden fysieke gebouwen aan belang verliezen. De eerste projecten van T.O.P. office benadrukten dan ook de rijke mogelijkheden van mobiliteit in het nadeel van de starre onbeweeglijkheid van vastgoed. Ze spraken het privilege van gebouwen als leef- en werkaccommodatie tegen.

Samen met zijn echtgenote Laurette Gillemot (°1946) en enkele medewerkers ontwikkelt Deleu nog steeds visionaire, soms naar het utopische neigende ideeën rond urbanisatie waarbij spitsvondig wordt ingespeeld op de ecologische, economische, culturele, sociale, geografische en bestuurlijk-politieke realiteit en toekomst.

… en toen werd Kreupelhout een Sprookjeswoud

door Annelies Vantyghem

Niet zo lang geleden, op een zondag in november, was er de magische ‘Kunstendag voor Kinderen’ en rilde er over de gevelde stronk en dorre takken van Berlinde De Bruyckeres sculptuur ‘Kreupelhout’ een gouden schittering. Kinderen van alle leeftijden met goede ogen en oren kwamen bergen over, voeren de langste rivieren af en reisden kriskras door alle landen om zich in S.M.A.K. knusjes op hun zitkussen te nestelen rond jeugdschrijver Bart Moeyaert. Met zijn verhaal ‘Luna van de boom’ bracht Bart het tere, kreupele hout van Berlinde even tot leven als een betover(en)de sprookjesboom die deed denken aan Ogentroost of Zielenrust of Harmonie.

Bart Moeyaert_blog-3a
(c) foto David Van Hecke

“Van alle koningen was deze koning de rijkste.” Zo opende Bart blootvoets zijn verhaal over een steenrijke koning die zich het hoofd brak over de wonderlijke boom in het midden van zijn tuin. De koning had zijn duurste schatten over voor een beetje informatie, en toen vernam hij via een oude man dit:

“De boom geeft zijn geheimen nooit prijs. In de hele wereld is er maar één boom als deze, en van de vruchten kunt u alleen maar dromen. Als kind heb ik van mijn oude oom gehoord dat de boom bij de eerste klokslag voor middernacht gouden knoppen krijgt, bij de vierde klokslag gouden bloesems, en bij de achtste gouden vruchten. Nog voor de laatste klokslag van twaalf uur is weggestorven, zijn die gouden vruchten al geplukt, en niemand weet door wie.” *

Berlinde De Bruyckere_S.M.A.K. 2014_©DirkPauwels_18
(c) foto Dirk Pauwels

Zodra de koning hoorde dat er met de boom goud te rapen viel, begon de hebzucht aan zijn neus te kriebelen. Eén na één stuurde hij zijn drie zonen op de boom af. En zoals het in sprookjes hoort, slaagde de derde prins in zijn opzet. In afwachting van het korte, precieze plukmoment van de gouden vruchten, richtte hij in tegenstelling tot zijn oudere broers geen vorstelijk feest in, maar ging hij rustig alleen onder de boom zitten en speelde op een zelfgesneden wilgenfluitje recht uit zijn hart een melodie die deed denken aan Ogentroost of Zielenrust of Harmonie. En toen begon het verhaal zich pas helemaal buitengewoon wonderlijk, zalig warm, superspannend, ongemeen grappig en verrukkelijk vertederend te ontrollen. We kunnen enkel nog verklappen dat de wens van de jongste prins zo mooi was dat zelfs de duivels een handje hielpen zodat ze uitkwam.

Tijdens Barts performance hoorden we in de ruisende wind gouden blaadjes ritselen en duivels konkelfoezen en gniffelen, zagen we de vrienden van de oudste prinsen voor onze ogen naar de gouden vruchten graaien en stegen we met de wind in onze haren haast mee op met de jongste prins richting Zwarte Stad. Hoe Bart ons dit mooie verhaal bij het kunstwerk ‘Kreupelhout’ deed beleven, zal een levendige herinnering blijven. Nu rest er alleen nog het prachtige prentenboek met de cd waarop Bart het verhaal voorleest, maar ook dat is zaligmakend!

* uit: ‘Luna van de boom’ (2000), een Slovaaks sprookje anders verteld door Bart Moeyaert met illustraties van Gerda Dendooven. ISBN 90-805417-1-0

Over Jean Schwind en de pastiche die kunst werd

In de context van de tentoonstelling ‘Schwind Foundation | Retrospectieve Jean Schwind’ gaan Hans De Wolf en Jan Ceuleers komende zondag 9 november om 12u in S.M.A.K. in gesprek over het belang van ‘appropriation’ in de actuele kunst en de rol die Jean Schwind daarin speelt. Prof. dr. Hans De Wolf doceert esthetica en kunstwetenschappen aan de VUB en is ook curator, onder meer van de tentoonstelling Master Mould and Copy Room in het CAFA Art Museum, Beijing, 21 oktober – 23 november 2014. Jan Ceuleers is onafhankelijk onderzoeker, maker van deze tentoonstelling en auteur van de bijhorende catalogus en website. Om u met dit gure herfstweer alvast warm te maken voor dit gesprek over de ‘bad boy’ van de Belgische kunst, dat zich ongetwijfeld geanimeerd en met de nodige, aan het onderwerp verschuldigde, ironie zal ontwikkelen, zetten wij graag het artikel in de kijker dat over deze tentoonstelling in rekto:verso verscheen:

door Joris D’hooghe

Het Gentse S.M.A.K. brengt met de retrospectieve Schwind Foundation een overzicht van de praktijk van Jean Schwind: een tegendraadse figuur die zich aan het begin van de jaren 1970 met een reeks artistieke ‘toe-eigeningen’ in de marge begaf en die het artistieke systeem van binnenuit wilde ontmantelen. Deze auteur van anti-kunst blijkt vandaag echter zelf één van de schakels in de Belgische kunst. Of hoe de beeldenstormer zelf tot kunstenaar verwerd.

Mysterieus, vluchtig (…)

63_D'hooghe_Jean Schwind_A notre cher art belgeSchwind, 1972_1975.jpg
Jean Schwind, A notre cher art belge/Schwind, 1972-1975

“A notre cher art belge.’ Wie de tentoonstelling Schwind Foundation betreedt – een initiatief van boekhandelaar Jan Ceuleers, die al jaren gefascineerd is door het personage Jean Schwind en die heel wat materiaal wist op te graven –,wordt verwelkomd met een boodschap die de teraardebestelling van de Belgische kunst suggereert. De woorden staan gedrukt op een tricolore lint, statig gedrapeerd over een zwart gespoten bloemstuk. Een rouwkrans als kunstwerk die de bezoeker meteen duidelijk maakt dat de maker zich niet vrijblijvend aan zijn artistieke praktijk heeft gewaagd. De naam Jean Schwind is het pseudoniem van filoloog, academicus en redacteur Jean Warie, die in 1969 met de tentoonstelling Schwind in de Brusselse Galerie Fitzroy het begin aanduidde van een artistieke loopbaan die zeven jaar zou duren. In deze periode stelde hij naast brutale erotische tekeningen ook een reeks pastiches van succesrijke kunstwerken tentoon. Gegroepeerd onder de noemer ‘hommages’ of ‘appropriations’ en letterlijk gepresenteerd als ‘collecties’, eigende hij zich de oeuvres toe van bekende kunstenaars als Marcel Broodthaers, Lucio Fontana en les nouveaux réalistes. Criticus Wim Van Mulders omschreef de interventies die zo tot stand kwamen als ‘anti-werken (…) die niet zozeer een kopie waren maar veeleer de constanten van bekende tendensen trachtten aan te duiden’. In mei 1976 verscheen een fictief overlijdensbericht in het tijdschrift +/-0 revue d’art contemporain: ‘Monsieur Jean – F. Warie SCHWIND – sans profession – décédé accidentellement à Survilliers (Seine – St. Denis).’ Een aankondiging die, aldus Van Mulders, ‘als de uiterste consequentie geldt van het pasticheren van het einde van een artistieke loopbaan.’ Continue reading “Over Jean Schwind en de pastiche die kunst werd”

Performance ‘Romeu My Deer’ door Romeu Runa

In het kader van de tentoonstelling ‘Berlinde De Bruyckere. Sculptures & Drawings. 2000 – 2014’ bracht de Portugese danser Romeu Runa (°1978, Cova de Piedade) afgelopen weekend in S.M.A.K. de bijzonder intense performance ‘Romeu My Deer’. Sinds de Bruyckeres ontmoeting met de Gentse choreograaf Alain Platel speelt dans een belangrijke rol in haar oeuvre. Platel bracht de kunstenaar in contact met Runa. Ze vertaalde zijn gespierde lichaam in een reeks tekeningen en sculpturen van verwrongen, muterende figuren met geweien, waarvan de titel – ‘Romeu My Deer’ – verwijst naar de naam van de danser. Runa liet zich van zijn kant inspireren door het werk van De Bruyckere en creëerde een performance die tot nu enkel in Londen in 2012 was te zien bij de voorstelling van de publicatie ‘Romeu My Deer’.

door Annelies Vantyghem

romeu my deer - performance - foto Nele De Roo
(c) Foto Nele De Roo

“Uit Actaeons met water besprenkelde hoofd ontsproot een levensgroot gewei. Hij kreeg ook de nek van een hert, puntige oren en zijn armen en benen veranderden in poten. Hij werd een hert.” *

Met lichte tred betreedt Romeu Runa ontspannen maar geconcentreerd de museumzaal. Onbewogen ontkleedt hij zich om vervolgens onverstoorbaar zijn tijd te nemen om zich voor de performance op te laden. Zijn blik focust op De Bruyckeres geweisculpturen die neerwaarts aan de muur hangen. Als vanzelf verstilt het publiek bij de aanblik van de danser die geleidelijk in trance verdiept raakt. Runas hoofd pompt zich vol bloed tot het verzadigd rood aanloopt. Langzaam komt zijn pezige, krachtige lichaam in beweging. De twee delen van het wassen gewei worden van de muur afgehaakt. Wanneer Runa ze voor zijn gezicht houdt alsof de geweien uit zijn oogholten groeien, wordt hun vlezigheid één met de huid van de danser. Voor onze ogen doet Runa in naadloos ineenvloeiende fases een onwaarschijnlijk waar fabeldier ontstaan, opstaan en vergaan. Het akelig holle geschreeuw en het eindbeeld van de borstkas die in een steeds trager ritme opbolt en ineenzakt, zinderen nog na.

* Fragment uit ‘Diana en Actaeon’, een Metamorfose van Ovidius, waarin Diana, godin van de jacht, jager Actaeon ter bestraffing in een hert verandert, nadat hij haar ongewild naakt had zien baden.

De performance ‘Romeu My Deer’ wordt herhaald op 10 en 11 januari 2015.
Telkens om 19:00. Duurtijd: 35 min. Max. 100 personen per avond.
Prijs: 20 euro / Reductietarief Vrienden v/h S.M.A.K. of lerarenkaart: 15 euro.
Inschrijven? Stuur een mail naar leen@smak.be, vermeld de datum en met hoeveel personen je komt. Nadien krijg je alle details om je plaats te garanderen.
De tentoonstelling ‘Berlinde De Bruyckere. Sculptures & Drawings. 2000 – 2014’ loopt nog tot 15.02.2015.

Collectieonderzoek III: Kunst in Europa na ’68 – Barry Flanagan

‘Untitled (Sculpture)’ van Barry Flanagan maakte deel uit van de in 1980 door Jan Hoet opgezette tentoonstelling ‘Kunst in Europa na ’68’. Deze monumentale stalen sculptuur werd in het kader van genoemde tentoonstelling gerealiseerd in nauwe samenwerking met de Gentse staalfabriek Sidmar. In de huidige museale presentatie van het collectieonderzoek rond ‘Kunst in Europa na ’68’ is dit werk niet opgesteld. Tijdens de tentoonstelling in 1980 werd de sculptuur geïnstalleerd op het Sint-Pietersplein, voor de ingang van de abdij. Sinds april 2005 staat ze opgesteld aan Dok Zuid ter hoogte van de Dampoortbrug, in afwachting van een nieuwe locatie in de publieke ruimte.

Untitled (Sculpture) (1980), verwerving 1980

door Annelies Vantyghem

blanchka_120615160529_0001_sculpture
Barry Flanagan, Untitled (Sculpture) (1980)

Barry Flanagan (°1941 Prestatyn (GB) – +2009 Ibiza) ontwikkelt kunst vanuit wat hij concreet ervaart en houdt zich ver van theorieën en esthetisch-ideologische kwesties. Intuïtie bepaalt sterk zijn werk. De visuele eigenschappen van een materiaal bezitten, volgens hem, op zich voldoende kracht om zonder extra ideeën een interessant beeld te kunnen vormen. Elk materiaal heeft sculpturale capaciteiten. Het is aan de kunstenaar om ze voor zijn publiek zichtbaar te maken.

Flanagan vertrekt vaak van elementaire vormen. Voor ‘Untitled (Sculpture)’ werden een spiraal en een driehoek in een monumentale staalplaat van drie op zeven meter gesneden en vervolgens uit de plaat getrokken. Met deze sculptuur verkent Flanagan de spanningsvelden tussen twee- en driedimensionaliteit, tussen stabiel en instabiel, en tussen hard en zacht. Uit een plat stuk staal werd een ruimtelijk beeld ontwikkeld. De plaat kan zelfstandig rechtop staan, wat voor een plat vlak normaal gezien onmogelijk is. De kunstenaar relativeerde de stugheid van metaal door in de plaat te ‘knippen’ en ze te ‘vouwen’ als een blad papier.

Ander werk van Barry Flanagan in de S.M.A.K.-collectie:
* ‘Light on Light on Sacks’ (1969), verwerving 1978

Collectieonderzoek III: Kunst in Europa na ’68 – Anne & Patrick Poirier

‘La colonne pour la Villa Adriana’ van het kunstenaarsduo Anne & Patrick Poirier was te zien tijdens de in 1980 door Jan Hoet opgezette tentoonstelling ‘Kunst in Europa na ’68’. In de huidige museale presentatie van het collectieonderzoek rond deze cruciale tentoonstelling in de geschiedenis van S.M.A.K. is het werk wegens zijn omvang niet opgesteld. Om deze reden zetten we het kunstwerk hier even extra in de kijker.

La colonne pour la Villa Adriana (1979), verwerving 1979

door Annelies Vantyghem

KiE_Piorier
Anne & Patrick Poirier, La colonne pour la Villa Adriana (1979)

Sinds hun samenwerking in 1970 creëren Anne (°1941, Nantes) & Patrick (°1942, Marseille) Poirier installaties die verwijzen naar vergane culturen en beschavingen. Vanuit een grote belangstelling voor de antieke wereld maken ze ogenschijnlijk wetenschappelijk verantwoorde schaalmodellen en artistieke reconstructies van archeologische vindplaatsen. Afwisselend benaderen ze de site als geheel of focussen ze zich op een welbepaald object of deel ervan. Installaties met nagemaakte brokstukken van klassieke gebouwen en beelden, soms louter gebaseerd op literaire, fictieve bronnen of antieke mythen, zijn het resultaat.

In 1977-‘78 bezochten Anne & Patrick Poirier de Villa Adriana, het in Tivoli bij Rome gelegen zomerverblijf van keizer Hadrianus. Hadrianus was Romeins keizer van 117 tot 138. Hij was bekend voor idealistisch-utopische vernieuwing op gebied van architectuur. Tijdens hun verblijf in Tivoli deden Anne en Patrick Poirier historisch onderzoek. Tegelijk verkenden ze hun eigen utopieën en inventies op artistiek vlak.

Gefascineerd door de ruïnes van de site ‘reconstrueerden’ ze het verleden en ‘herschiepen’ ze met ‘La colonne pour la Villa Adriana’ een restant van de villa in de vorm van een installatie: een enorme, in trommels uiteengevallen zuil. Puur vormelijk en los van elke anekdotiek evoceert dit werk als een soort prototype de oneindige mogelijkheden van creatie. Het artistieke universum van de Poiriers is een mythische wereld, waarin rationaliteit, harmonie en evenwicht worden benadrukt en verheerlijkt, alsof er niets anders bestaat dan perfecte vormen binnen een ideale wereld.

Tot vandaag is dit het enige werk van Anne & Patrick Poirier in de S.M.A.K.-collectie.

Collectieonderzoek III: Kunst in Europa na ’68

door Annelies Vantyghem

foto jan hoet
Jan Hoet tijdens de opbouw van ‘Kunst in Europa na ’68’

Met ’Collectieonderzoek III: Kunst in Europa na ’68’ grijpt S.M.A.K. terug naar een belangrijke tentoonstelling uit zijn geschiedenis: ’Kunst in Europa na ’68’. In 1980 wist toenmalig museumdirecteur Jan Hoet internationale aandacht te vestigen op het Museum van Hedendaagse Kunst. ‘Kunst in Europa na ‘68’ beïnvloedde niet alleen de bekendheid van het museum maar ook de aangroei en de betekenis van de museumcollectie. Voor het eerst waren er middelen beschikbaar om de collectie wezenlijk vorm te geven. Belangrijke kunstwerken als Panamarenko’s ’The Aeromodeller’, Joseph Beuys’ ’Wirtschaftswerte’ en topstukken uit de Italiaanse arte povera die Jan Hoet toen verwierf, zijn tot op vandaag sleutelwerken binnen de museumcollectie.

Dit feit vormde de aanleiding voor verdiepend onderzoek naar de betekenis van ‘Kunst in Europa na ‘68’ voor S.M.A.K. ’Collectieonderzoek III: Kunst in Europa na ’68’ is dan ook geen letterlijke reconstructie, maar brengt dit onderzoek artistiek en documentair in kaart. Archiefstukken geven inzicht in het ontstaan en het belang van de oorspronkelijke tentoonstelling. Een aantal kunstwerken die toen werden verworven en nog steeds tot de collectie behoren, zijn vandaag in de museumzalen te zien. Ook worden er andere collectiestukken getoond van kunstenaars die aan ‘Kunst in Europa na ‘68’ deelnamen en zowel voor als na 1980 voor het museum belangrijk zijn geweest.

Tot 15.03.2015 in S.M.A.K.

Via onderstaande link kan je een fragment bekijken uit 1980 uit het BRT-programma ‘Zomeragenda’ waarin Jan Hoet rondleidt tijdens de opbouw van de tentoonstelling ‘Kunst in Europa na ‘68’. Featuring Jan Hoet en Joseph Beuys.

http://cobra.be/cm/cobra/videozone/rubriek/kunst-videozone/1.1007523

Tekenen met licht, een voort-durend onderzoek

Over de tentoonstelling Lichten van Thomas Ruff
Door Martin Desloovere

In een tijd waarin dagelijks miljoenen foto’s worden genomen om ze op Twitter en Facebook en zo meer te gooien, waar ze zelden méér worden dan een hoopje digitale informatie, al vlug weer vergeten, is een tentoonstelling als Lichten, nog tot 24 augustus 2014 in S.M.A.K., een welkome gelegenheid om nog eens stil te staan bij en na te denken over fotografie. De Duitse kunstenaar Thomas Ruff toont hoe boeiend het “tekenen met licht” nog altijd wel kan zijn.

Voor deze coproductie met Kunsthalle Düsseldorf, kozen S.M.A.K.-senior curator Martin Germann en de kunstenaar dus voor de titel Lichten, het meervoud van ‘licht’, vanzelfsprekend, maar tegelijk ook een werkwoord met in het Nederlands – volgens de ‘dikke Van Daele’ – maar liefst 14 verschillende betekenissen: van “licht geven, licht worden of verschaffen” over “minder zwaar maken” en “opheffen” tot “iets wegnemen” (en er bijgevolg de aandacht op vestigen).

Voor deze expo is er gekozen voor werk uit vijf van de tweeëntwintig series die Ruff in zijn vijfendertigjarige carrière sinds 1979 gemaakt heeft. In een doorwrocht essay in de begeleidende catalogus (met overigens prachtige reproducties) biedt Martin Germann de bezoeker-lezer boeiende achtergrond en overpeinzingen bij elk van die series, gekozen omwille van de heel speciale rol die ‘licht’ er telkens in speelt. Ruff zelf vertelde er tijdens een rondleiding ook nog interessante verhalen bij.

Thomas Ruff_installation view S.M.A.K._1

KAMER EN MELKWEG

Zo haalde hij naar aanleiding van de oudste reeks, Interieurs (1979-1983) twee van de ‘dogma’s’ aan waarmee hij geconfronteerd werd tijdens zijn opleiding aan de Kunstakademie Düsseldorf, waar hij onder meer Andreas Gursky als medestudent had en Bernd Becher als docent. Twee van zulke geldende ‘regels’ waren “photography captures reality” en “documentary photography has to be in black and white”. Continue reading “Tekenen met licht, een voort-durend onderzoek”

‘Kronieken van een opening in S.M.A.K’ | Over paardenstaarten en zeegolven

S.M.A.K.-medewerker Leen ontvangt dagelijks de museumbezoekers en houdt een dagboek bij. Deze keer pende ze haar impressies neer van de opening in S.M.A.K. vorige week vrijdag

door Leen Goossens, juni 2014, Over paardenstaarten en zeegolven

Er staat een man te dansen op een glanzende witte sokkel van 25 cm breedte en minstens 120 cm boven de beenharde cafévloer.  Geen prille, jonge vriend van het museum (die staan allemaal voor de cocktailbar hun jetons te tellen) maar een stevige vijftiger. Er galmt iets van Triggerfinger door de boxen naast hem en ik zie het door zijn zenuwstelsel terug naar buiten komen. Groovy, zoals dat heet? Op de grond ligt een roerstaafje op een bedje van sigarettenpeuken te knuffelen met een gebroken Vedett (waarschijnlijk die volle 120cm naar beneden gedonderd, de sukkel). De maan staat hoog, en alle deuren wagenwijd open, maar het is midzomers warm in het museum. De inkomhal ziet zwart van toevallige voorbijgangers die op het geur van hedendaagse kunst afkomen, sympathisanten, vrienden van het museum, vrienden van de kunstenaar en vrienden van àlle (nieuwe) tentoonstellingen hier vandaag in de aanbieding. Een smeltkroes aan namen, van aimabel Nederland met de tenen in Curaçao naar Cuba langs Duitsland terug naar eigen frisse, jonge groene bodem.

Een dame komt op een stel bijzonder fraaie kuiten in een jeansbroek met slangenprint ritmisch op me afgewandeld. Haar heupen zwiepen ver over hun middelpunt heen en weer als concentrische cirkels die rondjes draaien en de realiteit doen vervagen. Haar oogleden trillen onder het gewicht van driedubbel gelaagde mascarawimpers als spinnenpoten zo lang. Hallo, zegt ze en zwiept haar glanzende paardenstaart uit haar hals. Ze wil me iets vragen, zoveel is duidelijk.  Ze wil een gunst, wisselgeld, een nier … of gratis jetons? Ik wacht nieuwsgierig op wat volgt. Maar dan begint ze te gillen en breekt mijn trommelvlies en zijn mijn oren stuk. Achter mij staat blijkbaar een andere bevallige jonkvrouw die van het verschieten  haar handtas laat vallen, pats op de plakkerige grond vol Vedett en knuffelige roerstaafjes. Ik dénk dat ze elkaar kennen – al kan de instant-tinnitus  op een achtergrond van ruisende zeegolven in mijn geïmplodeerde hoofd misschien voor verwarring zorgen.  Beide meisjes dansen als jonge springbokken tegen elkaar aan en zwiepen hun paardenstaart vrolijk in de ronde.

Dit soort frivoliteit, op asgrijze pumps onder een dikke gulp geactualiseerde Bade/Coming People/Wilfredo Prieto/S.M.A.K.-saus. Héérlijk! Hier kan geen voetbal trappende rondedans  aan tippen, this is where you should be. Vooral op onze openingsavonden maar vandaag is ook helemaal goed! See you here?